De dood is een spelbreker. Iemand die me hoe dan ook opwacht, maar tegen wie ik niks te zeggen heb
Ik
denk vaak aan mensen die alleen sterven tijdens deze crisis. Dan denk
ik aan die verpleegster die zei dat sommige patiënten vlak voordat ze in
slaap worden gebracht, vragen: “Ga ik nu dood?” Ik stel me de paniek
voor in de ogen van diegene die misschien zal sterven, onaangekondigd,
zonder afscheid te kunnen nemen van geliefden, maar ook van het leven.
Ik denk aan de verpleegster die wordt overvallen, die niet meteen een
antwoord heeft en slikt.
Ik
blijf het tafereel als een videoband in mijn hoofd afspelen, ik spoel
terug, zie het weer, die paniek in de ogen voor het onbekende, elke keer
word ik banger.
Nee,
daar kan ik eerlijk over zijn, ik heb absoluut geen zin om te sterven.
De dood is een spelbreker. Iemand die me hoe dan ook opwacht, maar tegen
wie ik niks te zeggen heb. Het overviel me vorige week, bruusk. Ik keek
op van mijn boek en zei wanhopig tegen mijn vriend: “Het is toch de
meest akelige gedachte dat wanneer we sterven, we nooit meer terugkeren,
voor eeuwig en eeuwig en eeuwig?” Ik stortte me in de kussens van mijn
zetel en bleef zo liggen. Hij nam een foto van me terwijl ik onze
eindigheid beklaagde.
Mijn
doodsangst dwingt me om op zoek te gaan naar troost, het leren omgaan
met het onvermijdelijke. Als je op een dag toch verliest van de dood,
kan je je best zo goed mogelijk voorbereiden.
Het essay Leren te sterven
van Montaigne heeft mij tot nu toe het meeste troost geboden. Daarin
schrijft hij dat op het moment dat jij sterft er miljoenen organismen
met jou mee sterven. Op die split second dat jij gaat, is er een
tropische vis die zes meter onder de zeespiegel nog een laatste keer
‘blub’ doet, er is een oud luipaard dat zijn kop op het zand van de
savanne legt en voor eeuwig zal rusten, er is een irritante vlieg die
eindelijk wordt neergemept, er is een kolossale walvis die een laatste
keer uitademt aan het wateroppervlak, er is een lieveheersbeestje dat
per ongeluk wordt platgetrapt.
Maar
ook: een blad dat van een boom valt, een bloem die wordt geplukt, gras
dat wordt gemaaid. Dat vond ik een opbeurende gedachte, dat je nooit
alleen sterft, het heeft zelfs iets intiems, je sterft met andere
soorten. Als ik dit tafereel als een videoband in mijn hoofd afspeel,
word ik rustig. Ik spoel terug, zie het weer, die split second waarop ik
loslaat, het moment dat ik met zovele anderen deel.
Maar
wat is dan de troost voor de overlevenden? Diegenen die niet bij hun
geliefden kunnen zijn tijdens die laatste seconde? Misschien kunnen zij
hetzelfde doen. Kunnen zij op het moment dat hun geliefde sterft, naar
buiten gaan, misschien naar een park, een rivier of de zee. En dan
kunnen ze op zoek gaan naar een wezen dat ook juist op dat moment
sterft.
- Julie Cafmeyer - De Morgen -