Scènes uit een gezinsleven met twee pubermeisjes: een
badkamer bezaaid met handdoeken – er is net gedoucht. Rond de wastafel:
een stilleven van haarborstels, elastiekjes en tandpastatubes zonder
dop. Aan de muur boven de radiator: een papier met daarop een grote naar
beneden wijzende pijl en in dikke viltstiftkapitalen: ‘Hier horen geen
kleren’. Met een gedecideerde streep eronder die een vleugje frustratie
verraadt. Op de radiator onder de pijl en in wankel evenwicht: een
stapel kleren.
Of nog: een sofa vol koekjeskruimels, slaapkamers die veel
weg hebben van een hindernisparcours en kleerkasten waar een lawine komt
uit gebuiteld als je ze opendoet. Eeuwige discussies, van ‘Waarom heb
je die schooltaak niet ingediend?’ en ‘Waarom begin je altijd te laat
met studeren?’ tot ‘Waarom zijn jullie altijd spoorloos als er moet
worden afgewassen?’ en ‘Wie heeft de laatste velletjes toiletpapier
gebruikt zonder een nieuwe rol te nemen?’ Emoties laaien soms hoog op,
er worden al eens deuren hard dichtgegooid. Wat ik zie als pogingen om
mijn kinderen tot redelijk gedrag aan te sporen, wordt door hen
gepercipieerd als ‘gezeik’. Het belangrijkste effect aan hun kant is:
rollende ogen en een strategische terugtrekking in hun tienergrot, en
aan mijn kant een gevoel van machteloosheid – het ene oor in, het andere
uit, dat soort gedachten – en in momenten van wanhoop ook wel eens de
cynische bedenking dat het maar goed is dat mensenjongen ter wereld
komen als schattige baby’s en niet meteen recalcitrante pubers zijn.
Prima geregeld zo van de evolutie, anders begon niemand nog aan
kinderen en was de mensheid allang uitgestorven.
Shakespeare kende dat gevoel ook al. Hij stelde een soort Doornroosje-oplossing voor: ‘I would there were no age between sixteen and three-and-twenty, or that youth would sleep out the rest’, roept een herder uit in A winter’s tale – maar dat lijkt me niet echt een haalbare kaart. Alhoewel ’s ochtends op tijd opstaan ook vaak een heikel punt is.
Goede voornemens
Je kinderen af en toe tegen de muur laten lopen kan al eens helpen
Aan de ontvangende kant van het gezeur zitten is natuurlijk
ook geen pretje. Mijn kinderen koesteren ongetwijfeld geregeld de
wensdroom om hun zeurende ouders in te ruilen voor een stel andere. Heel
begrijpelijk, vind ik zelf. Maar hoewel ik me altijd voorneem om niet
te zeuren, kan ik het vaak niet laten. Dan hoor ik mezelf oreren en
bedenk ik dat ik ben veranderd in de moeder die ik niet wilde zijn. Dan
komen me herinneringen voor de geest aan hoe mijn eigen moeder tegen me
aan zeurde omdat ik mijn kamer niet had opgeruimd en voortdurend spullen
kwijtspeelde. De scène die zich afspeelde toen ik pas na een week
besefte dat ik mijn dwarsfluit in de muziekschool had laten liggen,
staat me nog helder voor de geest. ‘Gij zult niet zeuren’, dat nam ik me
vast voor toen ik zelf moeder werd, naïef als ik was, een
opvoedingsprincipe waaraan ik me de eerste jaren prima kon houden, maar
dat nu dus geregeld in het moeras van het dagelijkse leven verzuipt. En
een jaar in lockdown zitten met twee pubers heeft niet echt geholpen.
Al vis ik het altijd weer op, bijna tegen beter weten in, zoals de
goede voornemens die je maakt met Nieuwjaar. Want ik haat zeuren, ik
werk mezelf ermee op de zenuwen en het is bovendien heel vermoeiend.
Korte opstoot
Is elke generatie gedoemd om de volgende te overstelpen met
gezeur vanuit het idee dat het bij de opvoeding hoort? En brengt dat
zoden aan de dijk? Worden we er betere en succesvollere mensen van? Mijn
oudste heeft daar een uitgesproken mening over. ‘Stop met zagen, het
helpt toch niet’, zei ze droog toen ik onlangs weer een litanie afstak.
Daar had ik even niet van terug. Twee gedachten vochten om de bovenhand:
wat zou een beetje tijgermoeder hierop te zeggen hebben (een
kwalificatie waaraan ik niet voldoe, dat is duidelijk), en: heeft ze
gelijk? Niemand krijgt bij de geboorte van zijn kinderen een handleiding
cadeau. Voor de meesten onder ons is het een kwestie van
trial-and-error. Wat als zeuren onder de categorie ‘error’ valt? En zo
ja: hoe kan ik het dan afleren?
‘Dat ouders zeuren is begrijpelijk’, zegt
ontwikkelingspsycholoog Bart Soenens. ‘Het heeft een zekere informatieve
waarde. Je toont je huisgenoten: ik ben dit beu en er moet iets
veranderen. Maar in de praktijk werkt het veeleer als een boemerang, het
wekt vooral irritatie.’ De kosten-batenanalyse valt dus mager uit, als
je Soenens mag geloven: ‘Misschien bereik je er een korte opstoot van
gehoorzaamheid mee, maar om je kinderen diepgaand te motiveren, zodat
je regel op termijn spontaan wordt opgevolgd, werkt het
contraproductief.’
Hoewel ik me altijd voorneem om niet te zeuren, kan ik
het vaak niet laten. Dan hoor ik mezelf oreren en bedenk ik dat ik ben
veranderd in de moeder die ik niet wilde zijn
Met zeuren gooi ik dus mijn eigen ruiten in (ik zie mijn
dochters al triomfantelijk glimlachen als ze dit lezen). Maar waarom
schiet ik – en ik vermoed veel moeders met mij – dan telkens weer in die
kramp? ‘Het is vaak een schakel in een cyclus van gebeurtenissen’, zegt
Soenens. ‘Als je een regel al een paar keer helder hebt gecommuniceerd
en hij wordt keer op keer niet nagevolgd, dan word je wat eisender. Je
begint te dreigen met bepaalde gevolgen en als zelfs dat niet helpt,
begin je je irritatie te ventileren en te zeuren. Het risico bestaat
dan dat je ondanks jezelf kwetsende dingen zegt omdat je boos bent. Dat
je je kinderen een schuldgevoel geeft door te zeggen: “Ik doe zoveel
voor jullie en dit is wat ik ervoor terugkrijg.” Of dat je ze
slordigheid, luiheid of kwade wil gaat toeschrijven.’ Been there, done that,
maar het brengt schade toe aan je relatie met je kinderen die wel even
kan blijven hangen, zegt Soenens. ‘Het is vaak een laatste
wanhoopspoging om je zin te krijgen voor je de handdoek in de ring gooit
en zegt: je bekijkt het maar, als je een jaartekort hebt, moet je niet
bij mij aankomen.’ Herkenbaar, maar het is geen goede zet, vindt hij,
want dan zet je je betrokkenheid als ouder aan de kant.
Overkokende potjes
Dat is dus de ‘doe niet’. Maar wat is de ‘doe wel’? Want ik
weet wel dat puberbreinen anders werken en de puberteit een lastige
levensfase is, maar dat betekent niet dat ik nog jaren wil aankijken
tegen een huis vol klerenbergen en rondslingerende spullen. Ik kan wel
wat hebben, ik ben echt geen poetsmaniak, maar te veel rommel ondermijnt
het welbevinden van iedereen in huis. En ik wil mijn kinderen bovendien
graag wat zelfredzaamheid en discipline bijbrengen. Hoe moet dat anders
als ze straks misschien op kot gaan?
‘Het helpt als je het op een onverdacht moment ter sprake
brengt als iedereen rustig is’, zegt Soenens. ‘Daarbij is het belangrijk
dat je eerst luistert naar het perspectief van je kind, dan ga je
merken dat het vaak zelf de juiste diagnose stelt. Daarna kun je de
vraag stellen hoe het probleem kan worden aangepakt. Als je kind zelf
met een voorstel komt, kan dat al deel van de oplossing zijn, want zo
wordt het een afspraak eerder dan een regel. Als er niets komt, kun je
vragen of je zelf een voorstel mag doen. Want er is een groot verschil
tussen een regel die van bovenaf wordt opgelegd en een afspraak die je
van onderuit maakt. Als iedereen de aanpak onderschrijft, heb je meer
kans op slagen.’ Dat klinkt goed, maar toch zinkt de moed me in de
schoenen. Want laat afspraken nakomen nu niet meteen de sterkste kant
zijn van mijn pubers.
Soms komt de realiteit je te hulp, troost Soenens. ‘Niets
komt zo sterk binnen als wanneer een tiener zelf de gevolgen draagt van
zijn of haar gedrag: door mijn slechte planning ga ik de mist in met
mijn schoolwerk, bijvoorbeeld. Of: ik zoek me voortdurend rot naar
spullen die ik kwijt ben. Die ervaring en de reflectie erover kunnen
veel meer een eyeopener zijn dan jouw gemopper.’ Met andere woorden: je
kinderen af en toe tegen de muur laten lopen kan al eens helpen. Maar
ook daarmee heb ik het soms moeilijk. Begin ik toch naar die verloren
gelegde huistaak te zoeken die gisteren al moest worden ingediend. Ik
heb nogal wat af te leren.
‘Het is allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan’, beaamt
Soenens. ‘Ik ben zelf vader en heb veel mededogen voor medeouders, zeker
in de tijden waarin we nu leven. Soms zit je mandje ook gewoon vol.
Door het vele thuiswerken vervagen de grenzen tussen werken en zorg
opnemen voor de kinderen en dat vreet energie. Dan hoeft er niet veel te
gebeuren om je irritatie te triggeren, waardoor je onmiddellijk in
zeurmodus gaat. Maar je moet je eens afvragen hoeveel stress en
frustratie je meeneemt uit je werkcontext naar de opvoeding van je
kinderen. Het is goed om een bufferruimte te creëren tussen het werk en
de interactie met de kinderen, door even te ontspannen en je hoofd leeg
te maken. In normale tijden heb je zo’n cesuur vaak vanzelf doordat je
pendelt, maar door het telewerken loopt alles door elkaar, waardoor de
potjes sneller overkoken.’
Meer zen en minder zeuren, dus. En een cursus
onderhandelingstechnieken voor gevorderden. Ik weet binnenkort te melden
of het geholpen heeft.