Zoekers willen zoeken in plaats van zijn.
In zoeken is er een zekere belofte van iets spectaculairs
dat ‘mij’ in de toekomst misschien overkomt,
en dat lijkt zoveel beter dan de krijsende kinderen,
de schijnbaar onverdraaglijke gewoonheid
en onvolkomenheid van het banale dagelijkse leven.
Het is alleen onverdraaglijk en ‘gewoon’
wanneer we het niet echt zien.
Door die onoplettendheid stellen we,
dromend van iets beters, verlichting eindeloos uit.
We verzetten het. We ontkennen het.
We doen net of dit het niet is.
We zoeken het in de volgende dag,
of in iemand anders.
- Joan Tollifson -












