zondag 30 januari 2011


Mijn moeder en mijn oudste zus zijn samen de was aan het opvouwen in de veranda. Hun armen wijd open staan ze tegenover elkaar, een groot wit laken aan de vier hoeken tussen duim en wijsvinger vasthoudend. Ik ben een jongetje van een jaar of vijf. Vlak boven mijn hoofd hangt het opengespreide laken, dat tijdens het vouwen een paar keren als een vallende parachute op mij neerkomt. Dan waait het een beetje om mijn hoofd en ik ben verrukt van de schoonheid van het linnen en van de lichtheid waarin ik helemaal opgenomen word. In de veranda ruikt het naar waspoeder, naar bladgrond, naar cement, naar half verwelkte gladiolen in een vaas. Ik hoor hoe mijn moeder en mijn grote zus tegen elkaar praten terwijl er boven mijn hoofd witte banen stof deinen die voortdurend van grootte veranderen en gehalveerd worden. Het prettigst van al is wanneer mijn hoofd helemaal mee tussen het halfgeplooide laken verdwijnt. Ik moet nu wel eruitzien als een jongetje dat onthoofd is. Maar ook als een jongetje dat daarom nog niet minder kraait van opwinding en plezier. Het kan niet anders dan dat ik het werk hinder maar blijkbaar vinden zowel mijn moeder als mijn zus dat niet erg. Ik pas bij hun bezigheden. Ze vouwen maar voort en ze praten maar voort. Ze doen en ze laten doen. Ook al is het mijn schuld wanneer het laken uit hun handen schiet en op de grond valt zodat alles weer van voren af aan moet. Maar zelfs ook dat vinden ze niet erg. Ik ben toegelaten in deze scène.
Op het einde wordt het laken ook nog een keer over de breedte dubbel geplooid. Daarvoor doet mijn zus een paar stappen in de richting van mijn moeder om haar de ene helft te overhandigen. Dat is ook het moment waarop ik mij snel uit de voeten moet maken, of zowel mijn moeder als mijn zus botsen lachend met hun onderlichamen tegen mij aan.

Die mand met witte was in de veranda had nooit leeg mogen raken.

- Leo Pleysier - De dieven zijn al gaan slapen -