woensdag 3 augustus 2011

Moederkeszalf

Tot vorig jaar beet Roel Verniers gulzig en snel in het leven. Recenseren, een jeugdboek schrijven, festivals organiseren, een cultureel centrum leiden, Verniers was nog geen 36 en had het allemaal al gedaan. Nog maar net was hij begonnen aan alweer een nieuwe job of zijn razendsnelle leven stond plots stil. Bij Verniers werd slokdarmkanker vastgesteld. Zijn column verschijnt tweewekelijks op woensdag.

Een flesje bronwater naar de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Het is uit zacht plastiek gegoten, heeft een azuurblauw kroontje en grof gedrukte goudspikkels op de sluier: hebbeding uit de confessionele supermarkt. Mijn petekind brengt het mee. Als medicinale hoestsiroop of uit diepe overtuiging. We praten daar niet over. Tussen weten en vertrouwen loopt vooral twijfel als grenslijn. Daar kom je niet uit met gediscussieer.

Mijn petekind is bezorgd en - op bezoek - altijd eerst terughoudend. Pas als ik glimlach, laat hij de schouders hangen en valt zijn bles opnieuw ontspannen over zijn gezicht. Ik praat met hem zoals mijn grootmoeder met mij praat. Over steunkousen tegen spataders, een handvol pillen bij het ontbijt, ingegroeide teennagels... Het maakt niet uit. Mijn gebabbel verzekert hem van de rol die ik als peter te spelen heb: die van vangnet tijdens de stormen in zijn leven.

We zullen ons in haar armen gooien. Frankrijk: massieve maîtresse met lekkers in al haar plooien. Vijf dagen Champagnestreek. Zwembad in de tuin, sauna in de kelder. De dag voor ons vertrek, maak ik koorts. Geen erg. Later vertrekken kan altijd en in tussentijd verzacht het uitzicht op uitstapjes naar provinciehoofdsteden de pil. Een dag later sterft mijn schoonvader. Gespiegeld in leeftijd: 73 jaar. Dubbel getroffen: botkanker en Parkinson. Je weet dat het er aankomt, maar het moment blijft een stip aan de horizon.

Die avond slapen de kinderen in het grote bed. Mijn moeder ligt tussen hen in. "Ik heb geen peter meer", zegt mijn zoon. Het besef komt uit het niets, maar uit zich in dikke tranen. "De broer van papa", stelt mijn moeder voor. Daar wil hij niets van weten. Hij wil Tonton, mijn schoonbroer. Daarmee komt alles in zijn hoofd opnieuw in balans. Zoals in dat bed: voor elk een gelijk part oma. Dat tempert het gemis algauw een paar uur.

Ik krijg het nieuws aan de telefoon. De koorts stijgt en zal die avond afklokken op 39,4. Het is zondag en als mijn vrouw thuiskomt, zie ik verdriet dat ik me niet kan voorstellen. Ze recht haar rug terwijl ze vertelt, maar in haar blik zie ik hoe aardplaten verschuiven. Voor de band die is doorgeknipt, bestaat geen vangnet. Alleen maar val.

Ze was net te laat. En dat het toch jammer is? Alsof hij elk moment kon ontwaken. Niet dat er nog dingen dienden besproken. Maar dat ze hem nog een keer wilde horen ademen. En dat het toch jammer is dat ze niet nog een keer zijn gaan wandelen op de dijk? En daarna gewoon naast elkaar hebben gezeten op het terras? Dat ze het laatste jaar zo weinig tijd heeft gehad en hoe jammer dat wel niet is. Het verdriet zuigt nu elke houding die ze opzoekt uit haar lichaam weg. Als een secondewijzer die trillend voor de twaalf staat, zo zit ze, een eindeloos moment lang, gevangen op de zetel.

"Opa is naar de planeet van de liefde", zegt mijn dochter aan de telefoon. Ze wil weten waarom ik nu weer in het ziekenhuis lig. "Omdat de koorts aanhoudt", zeg ik. En ook omdat ik pijn heb aan een rib. Daar zeg ik niets over. Ik voel me eenzaam en kwaad. Zelfs nu, met de hele familie in rouw, heb ik niets te bieden. De frustratie hoopt zich op. Als mijn vrouw belt om te vragen wat ik ervan vind - kinderen wel of niet laten groeten - komt er spanning op de lijn. Ik leg te snel neer en als ze terugbelt, neem ik niet op. Tot tweemaal toe. Ik vind geen excuus. Wat is mijn rib in vergelijking met haar verlies?

Zijn lichaam ligt als een beletselteken in de kist. Alles aan hem is half en in overgang. Doorlooppuntjes: lichaam wordt herinnering. Ik groet, dank hem voor zijn dochter en verontschuldig me voor het gepruts onderweg. Op de begrafenis neemt mijn vrouw het woord. Ze heeft het over tijd, over zin en onzin. En hoe daartussen het leven pendelt. Al te vaak zonder gevoel voor urgentie. Buiten hangt de zon kil aan de heggen rond de verschillende percelen van de begraafplaats. Twee dagen later ontdekken ze dat mijn kanker nu ook uitzaait naar die rib. Vijf dagen later verjaart mijn dochter. Ze wordt negen.

Tussen gisteren en morgen ligt alleen maar het nu. Je eigen hartslag. Nu, nu, nu, nu, nu. Zou je daar strafregels van kunnen maken? En hoeveel moet je er dan schrijven tot het besef doordringt, actie en gedrag het overnemen van wat je zo makkelijk gezegd krijgt - pluk de dag - maar zo moeilijk in praktijk brengt? De uitzaaiing houdt me tegen: ik ben bang.

In de cafetaria van het ziekenhuis loop ik de pastoraal werker tegen het lijf. Hij schrikt dat ik alweer in het ziekenhuis lig, luistert naar het beven in mijn stem en heeft het over de VRT die in de kapel een dienst opneemt. Hij praat luid, maar voor hij vertrekt, weet hij me altijd zo aan te raken dat ik kalmeer.

Op weg naar mijn kamer, loop ik de stille ruimte binnen. Ze gonst als een bijenkorf, vol retoriek die niet de mijne is. Kruis, bijbel, gebedsstoelen. Ik wou dat ik het kon. Mijn handen kruisen, knielen en vertrouwen vinden. Even overweeg ik het bronwater uit Lourdes alsnog op te drinken. In plaats daarvan besluit ik mijn vrouw om wat moederkeszalf te vragen. Pijntje? Wat spuug op die rib en klaar. Beter dan hoestsiroop.

- Roel Verniers - Column De Morgen -